Vijf manieren waarop Limburg slimmer zal groeien
Motoren van morgen
Ronald Meeus
Limburg komt economisch al van ver, maar er liggen nog belangrijke stappen voor ons. Een nieuw beleidsplan zet vijf hefbomen op scherp die de komende jaren het verschil kunnen maken. Een focus op zorginnovatie moet kennis in biotech, medische technologie en digitale gezondheidszorg hier houden én nieuw menselijk kapitaal aantrekken. De Einsteintelescoop kan Limburg veranderen in een wetenschappelijk knooppunt op wereldschaal. Voor een provincie met de meeste zonnepanelen op de daken in verhouding tot het aantal inwoners mag het niet verbazen dat er hier aan cruciale vernieuwingen in de energietransitie wordt gewerkt. Onze maakindustrie krijgt een kennisboost met smart manufacturing. En door automatisering te combineren met inclusie wordt een nijpend gat op onze arbeidsmarkt gedicht. Vijf gesprekken met voortrekkers in dat verhaal.
ANNELIES GORISSEN, POM LIMBURG – BART VERMANG, IMEC
‘Tegen 2040 moeten alle inwoners en bedrijven in Limburg duurzame energie hebben.’
Annelies Gorissen
- Strategisch Expert Duurzaamheid bij POM Limburg
- Studeerde af als bio-ingenieur bij KU Leuven
Bart Vermang
- PV Program Manager bij imec
- Gewoon Hoogleraar UHasselt
- Doctor in de Elektrotechniek bij KU Leuven
- Lid Operational Steering Committee van EnergyVille
Op de voormalige mijnsite van Waterschei sleutelen 700 onderzoekers aan groene energie als economische hefboom. Limburg is een broedplaats voor zonne-innovatie, vertellen energieprof Bart Vermang en POM-duurzaamheidsexpert Annelies Gorissen bij EnergyVille.
Jullie verbeteren hier fotovoltaïsche technologie, in jullie nieuwe openluchtlabo op de site wordt die in realistische omstandigheden getest. Waarom is zonne-energie zo belangrijk voor de regio?
ANNELIES: “Limburg is altijd al een energieregio geweest. Nog altijd zien we energie als een essentiële voorwaarde voor economische groei, welvaart, competitiviteit. Het provinciebestuur heeft zich als doel gesteld om tegen 2040 inwoners en bedrijven, behalve in de heel energie-intensieve sectoren, te voorzien van duurzame energie. Dat brengt veel uitdagingen met zich mee: er moet voldoende energie ter beschikking zijn, die moet betaalbaar zijn, én duurzaam. Er zullen nieuwe innovaties nodig zijn om dat voor elkaar te krijgen. EnergyVille is voor een stuk opgericht om die innovaties te versnellen. We hebben al veel troeven in handen. Limburg is koploper in Vlaanderen wat het aantal geïnstalleerde zonnepanelen per inwoner betreft. We hebben hier een top-onderzoeksinstelling die spin-offs aflevert. We hebben een aantal sterke bedrijven. Nu willen we die troeven verder uitspelen, bedrijven naar hier trekken en internationale samenwerkingen aangaan.”
BART: “In Limburg Solar Valley komt alles samen: productie, onderzoek, ontwikkeling, testen van marktrijpe producten en nadenken over toepassingen. Het is een ecosysteem. Er is hier investeringskapitaal en er zijn organisaties zoals POM Limburg die mee de kar trekken. Europa verliest vandaag industrie, maar met innovaties in hernieuwbare energie kunnen we een deel van die waardeketen opnieuw naar hier halen.”
Zullen we aan de toekomstige energievraag kunnen voldoen met alleen maar fotovoltaïsche energie en wat windenergie?
BART: “We moeten per definitie cross-border en cross-sector kijken, want elke industrie legt haar eigen accenten. Voor sommige mensen lijkt het misschien alsof de energietransitie niet vooruitgaat, maar wereldwijd hebben we ondertussen al meer fotovoltaïsche capaciteit dan nucleaire stroom, en de verdere groei is exponentieel. We zien zelfs al congestieproblemen op het net: op sommige plaatsen gaat de uitrol momenteel sneller dan de netinfrastructuur kan volgen. Volgens onze cijfers evolueren we richting 60 à 70 procent elektrificatie van het energiesysteem tegen 2050. Dat zal aangevuld worden met waterstof en andere energiedragers, en met een mix van aanvullende elektriciteitsbronnen. Om de energietransitie te realiseren zouden we wereldwijd ongeveer een half miljoen vierkante kilometer zonnepanelen nodig hebben. Dat klinkt veel, maar op wereldschaal valt dat eigenlijk goed mee. Het komt ongeveer overeen met de oppervlakte van Spanje. Het toont vooral dat de energietransitie ruimtelijk perfect haalbaar is.”
Voor welke technologische innovaties zullen EnergyVille, en Limburg Solar Valley daarrond, binnen 25 jaar herinnerd worden?
BART: “Soltech is een mooi voorbeeld: zij maken gevelsystemen waarin zonnepanelen rechtstreeks in de gebouwschil worden geïntegreerd. Het hoeft bovendien niet altijd om productie te gaan. Onze recentste EnergyVille-spin-off, Orion Grid Technologies, richt zich bijvoorbeeld op het eerder aangehaalde congestieprobleem op het elektriciteitsnet. Je zult de komende jaren meer en meer bedrijven zien ontstaan die vraag en aanbod van elektriciteit slimmer op elkaar afstemmen. Dat merken we ook via de masterproefonderwerpen die we dit jaar samen met bedrijven in Limburg hebben opgezet: veel kmo’s zijn actief op zoek naar oplossingen op dat vlak. ”
ANNELIES: “We hoeven niet te concurreren met de schaal van China. Energie-innovatie kan ook maatwerk zijn, gericht op heel lokale toepassingen. Het is belangrijk dat we hier in Limburg niches kiezen die hier relevant zijn, dat we een kruisbestuiving maken met andere sectoren. De bouwsector ligt voor de hand, maar ook de fruitsector, waar er bijvoorbeeld zonnepanelen boven frambozenstruiken worden geïnstalleerd: ze wekken energie op, maar dienen tegelijkertijd voor hagelafweer.”
Met nieuwe technologie die hier wordt ontwikkeld kun je in zowat alles zonnepanelen inbouwen?
BART: “Die hoeven inderdaad niet alleen op daken te liggen, of boven landbouwgrond: het kan bijvoorbeeld ook op water. Ook is het een no-brainer om op termijn zonnepanelen in het dak van een elektrische wagen te integreren.”
ANNELIES: “Een gemiddelde personenwagen staat 95 procent van de tijd stil. Waarom zou die dan niet worden gebruikt om energie op te wekken? Ik hoop dat het tegen 2050 vreemd zal klinken dat we in 2026 géén zonnepaneel op ons autodak hadden liggen.”
MAXIME CORVILAIN, POM LIMBURG – THOMAS ELIAS COCOLIOS, KU LEUVEN
‘Ons Big Science-plan staat of valt niet met de Einsteintelescoop.’
Maxime Corvilain
- Valorisatiemanager Einsteintelescoop bij POM Limburg
- Big Science Manager bij POM Limburg
- Daarvoor o.a. innovatieingenieur, doctoraal onderzoeker in membraantechnologie
- Doctor in de Bio-ingenieurswetenschappen bij KU Leuven
Thomas Elias Cocolios
- Docent en later Hoogleraar
- Departement Natuurkunde en Sterrenkunde bij KU Leuven
- Vlaamse vertegenwoordiger op het CERN Knowledge Transfer Forum
- Vlaamse vertegenwoordiger op de CERN MEDICIS Board voor medisch onderzoek met radionuclides
- Doctor in de Natuurkunde en Sterrenkunde bij KU Leuven
Limburg heeft ambities in grootschalig wetenschappelijk onderzoek, hopelijk met de komst van de Einsteinzwaartekrachttelescoop. Maar ook als die niét in het Maasland zal worden ingegraven wordt de provincie een knooppunt voor Big Science, zeggen POM valorisatiemanager Maxime Corvilain en kernfysicus Thomas Elias Cocolios.
Hoe hard hebben we hier een project als de Einsteintelescoop nodig?
MAXIME: “Wanneer de hele wereld Limburg kent als de plek waar zwaartekrachtsgolven worden gemeten, zal er veel kennis naar hier komen. We zullen hier een sterk ecosysteem van hightech- en deep tech-bedrijven verder uitbouwen. We kunnen de Maasregio economisch versnellen en veel sterker internationaal positioneren. Dat is meetbaar. België betaalt ongeveer 33 miljoen euro per jaar om lid van het CERN te zijn, het grootste laboratorium ter wereld voor fundamenteel onderzoek naar de oorsprong van het universum. Van iedere euro die het in dat lidmaatschap steekt, vloeit er 30 tot 40 eurocent terug. Terwijl die industrial return coefficient bij landen als Frankrijk, Zwitserland en Italië – dichter bij de CERN-hoofdzetel in Genève – maal zes tot maal acht gaat.”
Laat ons het eens omdraaien: is er momenteel voldoende kennis en bedrijvigheid in de buurt om de regio interessant te maken voor het Einstein-project?
THOMAS: “Dat is net de kracht van het drielandenpunt: er is hier al een ecosysteem. Op Sardinië heb je helemaal niets. De telescoop is ook een volgende fase in een al heel lang traject dat tot hier heeft geleid. Een Big Science-instelling trekt per definitie een concentratie van kennis aan. Die concentratie levert kritische massa, waardoor er iets bijzonders naar boven komt.”
MAXIME: “Onze pitch is: plant geen roos in de woestijn. We hebben hier dertig kennisinstellingen in de buurt. Sardinië heeft er maar enkele. Bovendien hebben 25 Vlaamse bedrijven al iets concreet gedaan voor het Einsteintelescoopproject, bijna goed voor 15 miljoen euro aan tenders en R&D-projecten. Het begint bijvoorbeeld met contracten voor de bouw en instrumentatie, maar dat is niet het hoofddoel: wat we écht willen doen is uitzoeken hoe we de technologie die er ontstaat binnen die samenwerkingen kunnen door-ontwikkelen naar andere producten en diensten voor andere markten.”
Wat gebeurt er met dat ecosysteem als de Einsteintelescoop niét naar hier komt?
MAXIME: “Dan worden bedrijven nog altijd aangemoedigd om samenwerkingsprojecten aan te gaan met de uiteindelijke site. We hebben daar locatieonafhankelijke scenario’s voor. Natuurlijk heb je dan niet dezelfde volumes, daar moeten we niet over liegen, maar wel in verhouding tot de geplande investeringen. Maar onze Big Science Hub is niet uitsluitend op de Einsteintelescoop gericht. We hebben een groeiende samenwerking met CERN. Ook willen we meer samenwerken met ESA, het Europese ruimtevaartagentschap. Er zal hier sowieso wetenschappelijk onderzoek gevaloriseerd worden waaruit startups en scale-ups kunnen ontstaan.”
THOMAS: “Iedereen kent de deeltjesversneller, maar ze hebben bij CERN al zoveel meer gedaan. Het World Wide Web. Cloud computing. Touchscreens. Voor dat soort samenwerkingen blijft een hub verkiesbaar boven individuele inspanningen. Je hebt een partij nodig om dat te coördineren en versnellen.”
We hebben het per definitie over een lang tijdskader: pas in de jaren 2040 worden de eerste Einsteintelescoop-metingen verwacht. Wordt het geen uitdaging om de interesse in het project warm te houden?
THOMAS: “Tijdens de bouwfase wordt er ook al aan de volgende generatie van zwaartekrachtmetingen gewerkt. De animo zal nooit afnemen. Bovendien komen er in de aanloop naar de metingen ontwikkelingen in robotica, camerasystemen, enzovoort.”
MAXIME: “Veel van de technologie die nu nodig is om in 2040 te kunnen meten, moet nog worden ontwikkeld. In data-analyse bijvoorbeeld. We zullen snel naar honderdduizend metingen per jaar gaan, wat uitdagingen zal meebrengen in machine learning-modellen en computerrekenkracht. We zijn nu al constant op zoek naar samenwerkingsverbanden tussen de kennisinstellingen en bedrijven om samen dat soort technologie te ontwikkelen en te valoriseren. Als dat kan willen we die technologie ook al verder valoriseren. Er zal hier in ieder geval iets broeien. Als de Einsteintelescoop hier komt, zullen jonge mensen interesse krijgen in de ruimte, in astrofysica en achterliggende techniek. Het zal een opsteker worden voor STEM-onderwijs. Kijk naar wat de maanmissies in de jaren 60 en 70 voor de interesse in ruimtevaart en techniek hebben gedaan in de V.S.: zoiets kan de Einsteintelescoop hier in Limburg ook realiseren.”
ROELAND BUCKINX, HEALTH CAMPUS – ALEXANDRA CLOOSTERMANS, UHASSELTN
‘Wat hier wordt bedacht moet relevant zijn op de vloer.’
Alexandra Cloostermans
- Lab Manager THINK3 Simulation & Innovation Lab bij UHasselt
- Master Verpleeg- en Vroedkunde bij UAntwerpen
Roeland Buckinx
- Strategisch Expert Life Sciences bij POM Limburg
- Manager Health Campus
- Doctor in de Biomedische Wetenschappen bij UHasselt, Master in Public Governance and Leadership aan Antwerp Management School
Wie Limburg Diepenbeek Campus op rijdt, ziet meteen hoe de Health Campus verder vorm krijgt. Rond bestaande onderzoeksgebouwen en zorgbedrijven groeit er een ecosysteem waar wetenschap, ondernemerschap en zorg samenkomen. Met het nieuwe poortgebouw krijgt die samenwerking binnenkort ook een open innovatiecentrum. Roeland Buckinx, die de campus bestuurt voor POM in partnerschap met UHasselt, en Alexandra Cloostermans van het THINK3 Simulation & Innovation lab aan UHasselt, doen de ambities uit de doeken.
Wat zal er hier gebeuren?
ROELAND: “De vergrijzing dwingt ons om na te denken over hoe we onze gezondheidszorg duurzaam kunnen organiseren. Daarom wordt het nieuwe poortgebouw van Health Campus een open innovatiecentrum voor die gezondheidszorg. We willener in samenwerking met de zorgsector systemen en processen optimaliseren, ondersteund door nieuwe technologie. Dat doen we trouwens nu al in 15 projecten met steun van ons zorginnovatiefonds, gefinancierd door de provincie. Die band met de zorgsector versterken we verder, want we voorzien in het poortgebouw ook ruimtes voor netwerkorganisaties in de gezondheidszorg. We zetten daar bewust op in omdat we een groeiende rol zien voor de eerstelijnszorg: meer en meer zorg zal in de toekomst thuis gebeuren. Maar die zorg werkt heel verspreid. Om daar inzichten van de vloer te halen is een centraal ontmoetingspunt nodig.”
Jullie brengen hier wetenschap, zorg en ondernemerschap samen onder één dak. Schuurt dat nooit?
ROELAND: “Je moet dat schuren opzoeken: op dat punt begin je van elkaar te leren. Het is niet omdat de zorg, het bedrijfsleven en de academische wereld soms op andere doelen mikken, dat ze niets voor elkaar kunnen betekenen. Waar die werelden elkaar raken krijg je precies dingen in beweging.”
ALEXANDRA: “Ik vind het de mooiste uitdaging om disciplines die werken in de zorg maar een totaal andere taal spreken samen te brengen. Bijvoorbeeld een zorgprofessional met iemand van ICT in het ziekenhuis doen samenwerken. Als ze elkaar tegemoet komen, realiseren ze essentiële dingen. Zoals in het elektronische patiëntendossier. Vanuit de zorg krijgen we vaak de commentaar dat men alleen nog maar met de computer bezig is. Terwijl data-analisten van hun kant weten dat het niet werkt als de gegevens niet correct ingegeven zijn om analyses te doen. Dat botst, maar ze moeten elkaar halfweg vinden. Een voorbeeld is taal, communicatie, om een hartstilstand in al zijn complexiteit te coderen in het systeem, worden diverse termen gebruikt die allemaal hetzelfde betekenen. De analyse zou minder moeizaam en tijdrovend worden als daarover gesproken werd en afspraken rond gemaakt werden. Wat hier wordt bedacht moet relevantie hebben op de vloer.”
Zijn er zo nog voorbeelden van innovaties die hier aan het ontstaan zijn?
ALEXANDRA: “We hebben een doctoraat lopen rond een slimme wondpleister, naast ingenieurs en biomedici is het belangrijk dat de eindgebruiker, de verpleegkundige, al betrokken wordt bij het ontwikkelingsproces. Hoe verpleegkundigen redeneren in het proces van wondzorg zal bepalen of de slimme wondpleister ooit zal landen bij een patiënt. Er zijn veel innovaties in telemonitoring, want zeker voor chronische ziektebeelden wordt dat de toekomst. Technologisch staan we ook al relatief ver daarin, maar het zorgsysteem is nog niet klaar voor een brede uitrol. Stel dat morgen iedereen een toestel zou hebben waarmee zijn hartritme kan worden opgevolgd. Dat zou geweldig zijn: dat er niet wordt gereageerd ná een hartaanval, maar dat de signalen daarvóór ook al worden opgevangen. Maar als iedereen morgen al preventief op de spoed of bij de huisarts belandt, kan het huidige systeem snel overrompeld geraken. Innovaties moeten daarom niet enkel op productniveau zijn. Ook nieuwe processen, procedures of samenwerkingsverbanden zijn innovaties waar we bewust op inzetten.”
ROELAND: “Je ziet bij ondernemers soms dat ze ideeën ontwikkelen voor een systeem waarvan ze wensen dat het bestond. Ze schakelen graag snel, maar de gezondheidszorg is ontzettend complex. Je verkoopt je oplossingen niet rechtstreeks aan een patiënt. Daar zit een zorgverlener tussen, een terugbetalingsinstantie, verzekeraars. Je kunt waardevolle technologie hebben, maar die hele organisatie moet daarop worden aangepast, net als de financieringsstromen. Je moet de barrières die er zijn integreren in je zakenmodel. Dat gaat makkelijker op een campus waar de experten maar een deur verder zitten.”
Hebben jullie dingen ontdekt die niét bleken te werken?
ALEXANDRA: “Een mooi voorbeeld daarvan is het elektronisch patiëntendossier invullen aan het bed van de patiënt. Je snapt de logica: alle data die je nodig hebt zijn op die plek. Maar verpleegkundigen tonen weinig bereidheid om het zo aan te pakken. Toen we een simulatie hebben opgezet in ons lab, snapten we waarom. Wanneer het invoeren van die gegevens nog tijdens de interactie met de patiënt gebeurt, is de verpleegkundige afgeleid: de patiënt blijft vragen stellen. Met het risico dat er bepaalde dingen verkeerd worden ingevuld of worden vergeten. Terwijl de literatuur zegt dat de tijd tussen de zorg en het ingeven van data in het patiëntendossier zo kort mogelijk moet zijn om fouten te voorkomen. We botsen dus op een verschil tussen wetenschap en praktijk. Dat zijn finesses die je alleen maar van de vloer haalt. Die finesses zijn op zich ook in constante evolutie. Zo kan je de vraag stellen of spraakherkenning en automatische datalogging via artificiële intelligentie in de toekomst een manier is om dit probleem op te lossen. In zorg is het dus zaak om steeds de vinger aan de pols te houden, letterlijk en figuurlijk.”
KATRIEN DE PAEP, POM LIMBURG – PAUL PEETERS, SIRRIS
‘Er is hier één missie: de productiviteit moet omhoog.’
Katrien De Paep
- Strategisch Expert Economische Innovatie bij POM Limburg
- Master in de Rechten bij KU Leuven
Paul Peeters
- Community Manager Manufacturing & Energy Transition bij Sirris
- Master in de Marketing bij KU Leuven
Terwijl de innovatieclusters Limburg van een economische toekomst verzekeren, moet er iets sneller worden geschakeld in de maakindustrie: de toegevoegde waarde per Limburgse werknemer moet omhoog. POM-expert Katrien De Paep en Sirris communitymanager Paul Peeters vertellen hoe het FacThory-ecosysteem daar een boost in zal geven.
Diepenbeek naar FacThory in Genk. Hoe worden jullie van hieruit een betere hefboom voor Limburg?
PAUL: “Ons doel is nog steeds innovatie binnenbrengen bij bedrijven. Wij vinden geen nieuwe dingen uit, we maken bestaande technologieën begrijpbaar en implementeerbaar. Smart manufacturing speelt een grote rol hier in Thor Park, naast energie en opleidingen. Onder andere op het snijvlak van deze drie thema’s zien we nieuwe bedrijvigheid ontstaan.”
KATRIEN: “POM heeft ervoor gezorgd dat er financiering kwam voor die verhuis, want er moest natuurlijk heel wat materieel mee. Maar we wisten dat ze hier, in dit ecosysteem, meer strategische verankering zouden vinden. Kijk naar hun groei: ze zijn de afgelopen twee jaar van zeven naar vijftien medewerkers gegroeid.”
Wat is hier al ontstaan?
PAUL: “We hebben hier de kennis om productielijnen te digitaliseren en slim te automatiseren. In ons labo tonen we bijvoorbeeld hoe één persoon een klein fabriekje, met magazijn, Automated Guided Vehicles, meerdere machines en robots tegelijk kan bedienen. Daar droeg een aantal bedrijven die hier ook zitten toe bij. Boolean, dat onder andere energiemonitoring van machines doet. Of Vimanpro, dat digital twins maakt: digitale kopieën van fysieke machines.”
KATRIEN: “Limburg heeft zijn industriële reuzen gekend, maar we hebben ook ontdekt wat er gebeurt wanneer die vertrekken: dan heb je ook een reusachtig probleem. Onze industrie zit nu anders in elkaar. 90 procent van onze 1.600 industriële bedrijven zijn kmo’s. De manier om ook daar impact op enige schaal mee te bereiken is door een omgeving te bouwen die hun samenhang stimuleert. Dat is exact wat POM doet: spelers in het landschap – maakbedrijven, Sirris, Flanders Make, integratoren, strategische onderzoekscentra, infrastructuur, kennisinstellingen – samenbrengen.”
De Limburgse maakindustrie moet nu het verschil qua productiviteitsgroei met de rest van Vlaanderen opkrikken. Wat moet daarvoor gebeuren?
KATRIEN: “Eén op zeven Limburgers die werken, zit nog altijd in de industrie: we hebben het over 45.000 jobs. Maar de productiviteit in de sector moet inderdaad omhoog. Een werknemer in de Limburgse maakindustrie creëert ongeveer 79 euro per uur aan toegevoegde waarde, in Vlaanderen is dat 104 euro. Smart manufacturing zal een groot verschil maken. Maar zo’n productiviteitsgroei krijg je niet voor elkaar als individueel bedrijf: je hebt partnerschappen nodig die dat voor iedereen trekken.”
PAUL: “De technologische vernieuwing van de grote spelers van weleer werd vaak gedreven vanuit hun multinationale organisatie. Momenteel bestaat de Limburgse maakindustrie voor het grootste gedeelte uit bedrijven met tien tot zowat vijftig werknemers. Zij hebben niet de capaciteit, noch de tijd of het budget om continu mee te zijn met nieuwe technologie. Het is onze rol om die bedrijven te steunen in het kennismaken met en implementeren van productiviteitsverhogende innovaties, digitalisering, robotisering, noem maar op. Dingen kunnen hier op FacThory worden getest, zodat ze precies kunnen zien wat de impact op hun werkvloer wordt.”
Hoe belangrijk wordt cobotica, robots die samenwerken met de mens?
PAUL: “Tien jaar geleden was het vloeken in de kerk wanneer je bij een bedrijf over robotisering begon. ‘Jullie gaan toch geen jobs afpakken?’ was een veel gehoord commentaar. Maar ondertussen is er een pull-effect in de plaats gekomen: help mij te automatiseren, want ik vind het volk niet meer. Onze arbeid is duur, ons talent wordt schaars. En dat staat groei in de weg. Steeds vaker stappen bedrijven na de komst van cobotica van één naar twee of drie ploegen over om de investering maximaal te laten renderen. Je productiviteit vermenigvuldigt daardoor.”
KATRIEN: “Je organiseert het werk op de vloer ook zodanig dat mens en robot die dingen doen waar ze het beste in zijn. Een mens is te getalenteerd om iets van A naar B te brengen, daar gebruik je beter een robot voor. Alles wat repetitief is, belastend voor een menselijk lichaam, laat je aan de machine over.”
Jullie willen ook een rol spelen in Quick Response Manufacturing. Hoe lukt dat?
KATRIEN: “Digitalisering brengt versnelling. Sanitairfabrikant Group Nivelles uit Gingelom drong de doorlooptijd van zijn productie al terug van acht naar drie weken. En dat door een proces te digitaliseren: hoe beter je weet waar een bestelling zit op de productielijn, wat er moet worden aangekocht en geleverd, hoe groter je tijdwinst.”
PAUL: “De link tussen digitalisering en productiviteitsstijging is één op één. Het is zelfs niet eens het digitaliseren zelf; het gaat over het slim organiseren van je productieproces. Want daar begint per definitie alles: robotiseren en digitaliseren werkt alleen maar als je productieflow robuust en tegelijk wendbaar is.”
BRITTA MULLENERS, POM LIMBURG – VINCENT MISPELAERE, PLASTIQ
‘We moeten mensen opnieuw vertrouwen geven in hun kunnen.’
Britta Mulleners
- Strategisch Manager bij POM Limburg
- Master in de Taal- en Letterkunde, Management en Toegepaste Economische Wetenschappen bij KU Leuven
Vincent Mispelaere
- Algemeen Directeur bij PlastIQ
- Bekleedt verscheidene mandaten en bestuursfuncties in organisaties waar hij de kunststofsector vertegenwoordigt
- Bachelor of Technology Industrial Engineering aan de Karel de Grote Hogeschool Antwerpen
Niet alleen inzetten op kennis is een economische must voor Limburg: ook de kortgeschoolden moeten mee. Zeker met een steeds groter wordende krapte op de arbeidsmarkt. Strategisch manager Britta Mulleners bij POM Limburg en algemeen directeur Vincent Mispelaere van kunststoffenopleidingscentrum PlastIQ hebben al een paar oplossingen in hun mouw.
Tegen 2035 verdwijnen er ongeveer 100.000 mensen uit de Limburgse arbeidsmarkt. Tegelijkertijd wordt er een instroom van slechts 70.000 nieuwe arbeidskrachten verwacht. Hoe zullen jullie die kloof dichten?
BRITTA: “Die arbeidskrapte zal mogelijk nog verder toenemen, want door innovatie te vergroten worden nieuwe jobs gecreëerd. Dit vraagt een aanpak op drie sporen: de productiviteit verhogen met automatisering, digitalisering en inzetten van cobots, mensen activeren, en mensen opleiden. Want ook levenslang leren wordt een essentiële factor om nieuwe competenties te verwerven. Het Limburgs economisch toekomstplan SALKturbo maakt van een competitief, duurzaam, digitaal en inclusief Limburg dan ook expliciete doelstellingen.”
VINCENT: “De werkzaamheidsgraad in Limburg heeft al een sterke inhaalbeweging gemaakt. We voelen hier de krapte die in de rest van Vlaanderen ook sterk aanwezig is. Maar er zit nog een arbeidspotentieel. Zogezegde NEET-jongeren, om maar één groep te noemen: Not in Education, Employment or Training. Een ander potentieel zien we bij oudere werkzoekenden. En de derde groep zijn mensen met een complex traject: vluchtelingen, mensen in armoede, mensen met een taalproblematiek, of mensen die geen of onvoldoende structuur hebben in hun leven.”
Hoe krijg je die sociaal kwetsbare Limburgers mee?
BRITTA: “Het gaat niet alleen om competitiviteit of digitalisering, maar ook om inclusiviteit. Die drie facetten staan niet los van elkaar. Daarvoor moet je naar het totale plaatje kijken. Dus ook naar mobiliteit, huisvesting. Het reistijdschema van het openbaar vervoer is bijvoorbeeld veel meer afgestemd op schoolgaande jeugd, minder op wie in ploegen werkt. Dat zijn allemaal factoren die meespelen om aan de arbeidsmarkt te kunnen deelnemen. Er moeten nog drempels weg.”
VINCENT: “Vaak gaat het erom dat we mensen opnieuw vertrouwen geven in hun kunnen, en dat we ze absolute basiscompetenties leren. Dat zijn vaak heel eenvoudige dingen: uit je bed komen, op tijd hier zijn om aan de opleiding te beginnen. Soms leren we mensen hoe ze hun boterhamdoos moeten maken wanneer ze in ploegen werken. Heel vaak zien we nog dat zo’n mensen op hun nieuwe job verschijnen en gewoon niets bij hebben. En dan, na een paar uur werken: oei, ik krijg honger. Maar je kunt niet zomaar weg om een broodje te halen. In dat soort dingen steken we meer energie dan jemisschien denkt.”
Kan het Europees opleidingsproject SkillsMatch Limburg een verschil maken?
VINCENT: “Wij filteren die personen eruit die echt gemotiveerd zijn. Eigenlijk is dat de enige vereiste voor ons. Willen ze echt energie steken in hun training? En zijn ze bereid om elke morgen op te staan en te gaan werken? Drempels werken we vervolgens weg. Als taalproblematiek een probleem is, verwijzen we hen eerst door naar een taalopleiding. We werken met ex-gedetineerden, en soms komen mensen die nog gedetineerd zijn al voor een opleiding. We zoeken overal naar dat arbeidspotentieel. Wij hebben heel mooie cases van bedrijven die kansen gegeven hebben aan mensen die mijlenver van de arbeidsmarkt stonden, maar ondertussen een succesvolle loopbaan aan het uitbouwen zijn.”
Zullen AI en robotica het speelveld veranderen in Limburg?
BRITTA: “Jobs zullen veranderen en verdwijnen. Maar er komen er evengoed nieuwe bij. Het is nog te vroeg om te zeggen welke dat zullen worden, maar in ieder geval hebben we hier organisaties als PlastIQ, die inzetten op vaardigheden om met robots en AI te kunnen omgaan. Specifiek op de maakindustrie en op kunststoffen natuurlijk, maar het zijn vaardigheden die over meerdere sectoren heen van toepassing zijn. Opleiding en talentmobiliteit zijn er om die structurele krapte op de arbeidsmarkt tegemoet te komen.”
VINCENT: “Niet alleen de machines worden gedigitaliseerd, ook de medewerkers: die zijn vaak draaiknoppen gewend, en moeten nu met een tablet gaan werken. Daar moet vaak nog wat schroom worden overwonnen. Op zich een kleine stap, maar hij moet wel worden gezet. We zien de taak van de operator complexer worden. Er zijn heel veel verschillende systemen, heel veel nieuwe data om rekening mee te houden. Machines zijn ook geen eilanden meer: alles wordt geconnecteerd met elkaar, er lopen verschillende processen tegelijkertijd. Vroeger was iedereen aan zijn eigen machine bezig. Maar die toegenomen complexiteit levert ook kansen.”
Abonneer je op POMblad!
POMblad in de toekomst ontvangen? Laat dan hieronder je gegevens achter.
Abonneren is gemakkelijk en gratis.
Na het achterlaten van je gegevens krijg je POMblad elke zes maanden automatisch in de brievenbus.